donderdag 22 maart 2018

Kwallenlogica


“Ze hebben geen hersens. Als ze steken kunnen ze het echt niet helpen.” Afgelopen zomer las ik me even in over de kwallenpopulatie in Montenegro in het algmeen en in de Kotorbaai in het bijzonder en hoe erg het zou zijn als je gestoken wordt, en in het artikel dat dit vraagstuk behandelde, stond deze parel van een zin. Iemand die het opnam voor de lokale kwallengemeenschap. Ze kunnen er gewoon echt niks aan doen als ze je pijn doen. Dat maakt het allemaal een stuk minder erg.

Ik moest vandaag weer aan deze zin denken, omdat hij multi-toepasbaar is. Een paar dagen geleden dreigde ik te laat te komen op een afspraak en ik stuurde een sms om te melden dat ik een paar minuten later zou zijn. En inderdaad, ik wás een paar minuten later. De vrouwen die ik zou ontmoeten waren al ergens neergestreken, maar zij hadden mijn sms niet gezien. En waarom niet? Omdat het niemand hier wat kan schelen als je een paar minuten later bent dan afgesproken en ze dus hun telefoon nog niet hadden geraadpleegd om te zien waar ik toch bleef. Andersom gebeurt ook. Vanochtend wachtte ik op een vriendin. Zij stuurde me een berichtje dat ze me met de auto zou ophalen en over zeven minuten zou voorrijden. Ik zorgde er dus voor dat ik klokslag zeven minuten later beneden buiten in de regen stond. Daar moest ik weliswaar vervolgens nog minstens tien minuten bibberen, maar toen kon ik wel in een auto met stoelverwarming stappen.

Het is grappig om bij mezelf vast te stellen dat sommige culturele gewoonten uit mijn eigen land nog altijd weerstand bieden aan de Tsjechische equivalent, zelfs al wonen we al bijna vijf jaar niet meer in Nederland. Mijn drang om op tijd te zijn is ongeneeslijk, en twee minuten later is al niet meer op tijd. Met alle chaos die mij eigen is, kan ik dat aspect niet uitgeroeid krijgen, terwijl hier twee minuten later nog steeds op tijd is. Dus hoe ik er ook uitzie, mijn haar in net-uit-bed-stand en mijn jas scheef dicht geknoopt, half acht is half acht. Mijn vriendinnen lachen erom. Maar ik weet wel hoe het komt. “Ik ben Nederlands, dus als ik op tijd ben, of zelfs een beetje te vroeg, dan kan ik dat echt niet helpen.”

zaterdag 17 maart 2018

Winterwaardigheden


Ineens is het er weer. Zoals elk jaar overvalt het me. De stijve nek. Een periode van hotpacks en drie warme sjaals breekt aan. Het gaat doorgaans vanzelf weer over, maar leuk is het niet. Gelukkig krijg ik wel veel medeleven als ik maar houterig genoeg loop. Aan het begin van de dag is het het vervelendst. De spieren, nog ongebruikt in de vroege ochtend, moeten soepel worden en elke beweging herinnert me eraan welke spieren ik nú weer in gang heb gezet.

Na het ontbijt verzamel ik moed en stort me de kou in om kindlief bij de schoolbus af te leveren. Maar dan komt eerst de grootste horde die ik moet nemen. Het openbaar vervoer en al die mensen die om half acht naar hun werk snellen. De metro is veranderd in een conservenblikje vol sardientjes die op de stations naar buitenzwemmen en zich dan de roltrap op laten drijven. Een botsing is een reele mogelijkheid en met zo’n zere nek is dat eigenlijk geen optie. Ik moet de bewegingen om mij heen maar goed in de gaten houden. Maar hoe? Ik kan mijn nek niet draaien. Dus, temidden van de school sardientjes draai ik rondjes als een ballerina in een muziekdoosje, om botsingen te vermijden. Dat werkt niet en ik kan de gil niet binnenhouden als ik tegen een haastige mevrouw aanbots, die weinig geduld heeft met mijn zwakheden. De blik die ik toegeworpen krijg houdt het midden tussen ergernis en minachting. Kom op zeg, zo’n kleine botsing. Niet zo kleinzerig. Kermend stap ik op de roltrap en begin nog nasnikkend aan de reis omhoog.

Boven aan de trap barst de school opeens uiteen en zijn er nog maar een paar mensen over om te ontwijken. Met een zuch van verlichting en een pijnlijk kloppende nek loop ik met mijn kind naar de bus.

En dan? Er is geen ontkomen aan, ik word medogenloos weer ingeblikt om thuis te komen, met alle ellende vandien. Reizen in een muziekdoosje lijkt me ineens zo gek nog niet.

woensdag 17 mei 2017

De dame in de metro

Een langerekte klaroenstoot verstoort de stilte in de metro. Nou ja voor zover het er stil is als hij onder de grond voortraast. Ik kijk waar het geluid vandaan komt. Links van mij staat de aanstichtster van de herrie, een ware Rubensvrouw. Zij draagt een knalpaarse laagjesjurk  tot op haar sandalen en over haar schouders hangt een zwarte stola met een wilde schulprand.  Zij snuit haar neus. Maar niet slechts dat. Zij snuit haar neus van het ene metrostation tot het volgende. En geen geruisloze snufjes teneinde niemand te storen hoor, maar full blown halen hier die gerust vier, vijf seconden aanhouden. Het leek mij toch een soort droogtrompetteren zonder resultaat, maar te oordelen naar haar gezichtsuidrukking stond zij daar en kon niet anders. En als het nodig was kon ze als haar zakdoek vol was, altijd nog verdergaan met haar jurk. Na de derde haal, begonnen de gezichten in de metro zich in haar richting te draaien, met een uitdrukking veranderend van verbazing via verbijstering naar ergernis. Zelfs de hippiemevrouw die zojuist op haar blote voeten binnengestapt was, keek gealarmeerd. Het deerde de snuitvrouw niet in het minst. Eerst na de volgende stop borg zij kalm haar zakdoek in haar tas en toonde zij haar nu rode neus weer aan het publiek. Ach ja, hooikoortseizoen he. Dan krijg je dat.

vrijdag 10 februari 2017

Niet vergeten!

Bij de tramhalte tegenover ons huis
 Waar zijn ze gebleven? En hoe gaat het met ze? Ineens vraag ik me dat af. Al die mensen die ik ooit tegenkwam en die zich net een beetje van de rest onderscheidden, doordat ze wat bijzonders hadden of deden. Ik ben ze daardoor nooit meer vergeten. Zulke ontmoetingen decoreren je dag met bloemetjes, en het boeket dat ik in al die jaren bijeen heb vergaard koester ik.

Neem nou bijvoorbeeld de Italiaan die “Signora!!” door zijn winkel riep als ik binnenkwam. Een kleurrijke oude man, die ik niet vaak heb ontmoet, maar die altijd een glimlach op mijn gezicht wist te toveren. Sinds deze week is zijn winkel plotseling gesloten. En ik vraag me af waarom. Zou hij in het harnas gestorven zijn? Is hij plotseling ziek geworden? Of zat de sluiting van zijn winkel er al langer aan te komen en is hij nu van zijn welverdiende rust aan het genieten ergens in Italie in de zon?

Of die meneer met die berenmuts waar ik ooit eens tegenover zat in het boemeltje en die van Kampen naar Zwolle de voering uit zijn longen zat te hoesten, en toen hij er eindelijk in slaagde een fluim in zijn rechterhand te rochelen erachter kwam dat zijn zakdoek aan dezelfde kant in zijn broekzak zat. En die toen onverstoorbaar de fluim tussen de duim en wijsvinger van zijn linkerhand nam, zijn zakdoek op diepte zijn nog warme product daarin veilig en onbeschadigd opborg en weer terug in zijn zak stak. Waar zouden die man en zijn muts gebleven zijn? Zou hij nog steeds hoesten?


Of hoe is het met die meneer die ik meer dan tien jaar geleden nog net voor een val van zijn fiets kon behoeden door hem aan zijn arm tegen te houden, toen hij de fietsenstalling bij de bibliotheek van Hoogeveen op fietste. Hij had MS, vertelde hij me, en daarom had hij af en toe moeite om veilig en probleemloos van zijn fiets te komen. Gelukkig ging het gezien de omstandigheden goed met hem, en had hij geen progressieve vorm van de ziekte. Nee, hij kon helaas niet in Jezus geloven, zei hij. Dat was onmogelijk als je keek naar de staat waarin de wereld verkeerde. Hoe zou het met hem zijn? Zou hij nog leven?

Of die Joodse mevrouw die elke ochtend bij Ikea ging ontbijten omdat ze dan niet hoefde af te wassen waar ze zo'n hekel aan had? Die wél in Jezus geloofde, en in het restaurant in haar Jongbloed zakbijbeltje las. En die haar bijbeltje aan het bladwijzerlintje omhoogtrok, me doordringend aankeek en langzaam zei: “Aan dit draadje hangt mijn leven. Meer is het niet.” En die me een keer een briefje schreef, waarin ze meedeelde dat ik beter geen contact met haar kon hebben omdat ze op de zwarte lijst van de maffia stond en ik maar beter voorzichtig kon zijn. Ze vertelde me ook dat ze allerlei complotten waar satellieten bij betrokken waren, had ontmaskerd. Hoe zou ze het maken?

Een greep uit al die mensen die ik op zijn hoogst een paar maal heb ontmoet en die een onuitwisbare herinnering hebben achtergelaten. Mensen die gemeenschappelijk hebben dat ze uniek geschapen zijn en op een dag mijn pad kruisten. En ineens vraag ik het me af: Waar zijn ze allemaal gebleven en hoe gaat het met hen? Vermoedelijk ga ik daar geen antwoord op krijgen. Maar ze zijn in ieder geval niet vergeten, want ik denk nog regelmatig aan hen. Maar wacht eens even, zou dat voor mij eigenlijk ook gelden? Zou ik via dezelfde route bij een onbekende ander in zijn hoofd terecht zijn gekomen?


vrijdag 7 oktober 2016

Man in Black

Nadat hij zijn laatste slokje koffie heeft doorgeslikt kijkt hij op zijn horloge en vergelijkt het met zijn telefoon. Beide vertellen hem hetzelfde. Tijd om te gaan en zijn plek in te nemen. Tijdens zijn korte wandelingetje van het cafe naar zijn plek monstert hij de lucht. Helder blauwe lucht. Dat betekent veel toeristen. Hij weet ook dat het betekent dat hij meer geld zal verdienen vandaag. Dat is goed, want geen geld, geen eten. Maar soms is hij het zo zat. Steeds weer opnieuw dezelfde truc. Zijn zwarte kostuum met zijn zwarte hoed, zijn witgeverfde gezicht en zijn headset microfoon. Staand op zijn sinaasappelkistje, met niet eens een preek om te houden. Alleen het fluitje dat hij tussen zijn tanden geklemd houdt, waarmee hij nietsvermoedende toeristen de stuipen op het lijf jaagt. En dan het vernederende hopen dat mensen het leuk genoeg vinden om een muntje in zijn plastic bakje gooien. En vandaag is dat niet anders.

Hij hoorde hen al voor hij ze zag. Die overdreven vrouwen met roodgeverfde haren. Hun schater klatert tegen de gevels op. Het ergerde hem gruwelijk. Wat is valt er eigenlijk te lachen? Zien jullie niet dat jullie jezelf voor de gek houden? Jullie denken dat dit leven is, maar het is eigenlijk alleen een onderbreking van dood. Over twee dagen zakken jullie weer weg in apathie en zal het zijn alsof dit alles niet gebeurd is. O tuurlijk, gooi mijn geldbakje maar omver. Ik wijs je met alle plezier aan waar de muntjes naartoe gerold zijn die je weer moet oprapen en terug moet stoppen in mijn bakje. Ja goed zo, dank dames, jullie ook nog een prettige dag. Niet te geloven zeg dat ik er ooit lol in had om mensen schrik aan te jagen. Dat het mijn hele dag goedmaakte als er een vrouw een gilletje slaakte, of een man een luchtsprong maakte, wanneer het fluitje tussen mijn kaken vandaan kwam.

Het is wel zo. Er waren dagen dat ik plezier beleefde aan waar ik mijn geld mee verdiende. Maar nu? Ik wou werkelijk dat ik een echt beroep had geleerd. Oh nee he! De volgende die mijn bakje omkiepert. Ja, raap het alstublieft maar even op. Daar, daar, daar en daar, ja. Alle muntjes weer in 't bakje. Dank u wel. Wacht eens even. Wat een geweldige aanblik eigenlijk. Mensen die als reuzenkevers rondkruipen met hun achterwerken in de lucht om míjn geld weer bij elkaar te scharrelen. Hier hadden ze niet van gedroomd toen ze hun Praagse tripje planden. Dit overtreft hun stoutste verwachtingen zeker weten ruimschoots. Daar kan ik uren naar kijken. Haha! Nu weet ik wat mijn taak in het leven is, Niet om toeristen te vermaken, maar om toeristen míj te laten vermaken! Kijk naar de lucht. Het is helderblauw! Dat betekent: hordes toeristen die allemaal over mijn geldbakje kunnen struikelen.

De man gluurt snel in alle richtingen. Niemand kijkt? Haastig schuift hij met zijn voet het bakje naar voren, een beetje meer in de weg.










dinsdag 12 juli 2016

Het is Pesse niet!

Het is een gewone, doorsnee dinsdag. Behalve dan dat we al aan week 4 van de vakantie begonnen zijn en mijn kind zich schromelijk verveelt. “En zeg alsjeblieft niet dat dat goed voor me is en dat ik daar creatief van word!” Dus dat doe ik dan maar niet. In plaats daarvan hoor ik mij zeggen: “Dan ga je even naar de stad. Mensen kijken ofzo.” Ho wacht even, schrok ik van mezelf, naar de stad?! Alleen?! We wonen hier wel in Praag hoor. Dat is iets heel anders dan Borculo of Pesse. Praag is groot en Tsjechisch. En tjokvol met mensen. Praag is nummer drie in de top-10 van zakkenrollend Europa. En mijn kind is wel mijn kind. En hij moet wel Bereikbaar blijven. Dat kan niet als zijn telefoon gerold wordt. Mijn kind is anders ook heel zelfstandig. Hij kan zich prima redden. Hij loopt niet in zeven sloten tegelijk. En is niet voor een gat te vangen. Laat zich de kaas ook niet zomaar van het brood eten. Wat kan ik er verder nog voor een overtuigende Nederlandse gezegdes tegenaan gooien? Hij kent de weg en het OV beter dan zijn nogal es in het rondklungelende moeder. En als hij oud genoeg is om met het OV naar bestemmingen te reizen, dan is hij toch ook oud genoeg om met het OV zonder bestemming te reizen?


Al die gedachten schieten als een achtbaan door mijn hoofd. Afwegingen maken op topsnelheid. Maar ik kan al niet meer terug. Het kind denkt: goed idee. Dus het kind vertrekt, op zijn slippers en met zijn phone. En een plan, ja zelfs met een plan. Eerst het park, dan de Oude Stad en dan weer naar huis. Hij belooft me op de hoogte te houden van zijn bewegingen. En ja hij zal zoveel mogelijk met de tram reizen, en zo min mogelijk met de metro. Want in de metro ben je namelijk niet zo Bereikbaar. Ik sms er een batterij totaal overbodige waarschuwingen achteraan. Want dat kan, als het kind Bereikbaar is. “Lalalala loslalalalatennnnn”, zing ik mezelf maar weer eens toe. In plaats van mijn kind liefdevol irritant op zijn telefoon te stalken typ ik deze blog post. Maar nu heb ik het wel weer lang genoeg gerekt. Gauw een sms sturen om zijn whereabouts te checken!

woensdag 15 juni 2016

De schoonheid van afscheid


Het is weer die tijd van het jaar. Elk jaar weer moeten we afscheid nemen van mensen die definitief Praag verlaten. Het doet pijn en het went maar niet. Op de dag dat we blij zouden moeten zijn omdat de zomervakantie begonnen is, zitten onze kinderen droef en met hangende schouders op de bank. Ze missen de kinderen die zijn weggegaan nu al. Het feit dat ze die kinderen evengoed wekenlang niet zouden hebben gezien als ze wel in Praag waren gebleven, telt niet. De wetenschap dat er weer iemand vertrokken is die een belangrijke plek in hun leven innam, schrijnt. Het is ontroerend om te zien hoe dapper ze ermee omgaan. Nog een laatste stevige omhelzing, en daar gaat hij. Of zij.

Ik vind het moeilijk om onze kinderen verdrietig te zien zijn. Ik begrijp het. Ik voel het verdriet ook. Maar ik zou graag zien dat het de lieverds bespaard bleef. Helaas. Toch is het ook mooi. Dat je zoveel om iemand geeft, dat het pijn doet als hij weggaat. En dat dat andersom ook zo geldt. Maar het cliché “ we zien elkaar weer in de hemel”, helpt niet. Het verzacht de pijn in het hier en nu niet. Het schrijnt nog net zo zeer als voordat iemand die onvermijdelijke woorden uitsprak. Troostender vind ik de gedachte dat we voor elkaar kunnen bidden. Ik breng iemand die aan de andere kant van de wereld woont, aan Gods voeten. Zij doet hetzelfde voor mij. Het is dan alsof we elkaar daar, even ontmoeten, heel even bij elkaar zijn. En wat is er nu een mooiere plek om iemand te ontmoeten dan voor de troon van God?


Afscheid nemen brandt een gaatje in je hart. Dat groeit wel weer dicht, maar het duurt eventjes.