donderdag 28 november 2013

Complimentjesverzadigingspunt

Deze week waren er parent/teacher conferences op school. Oftewel "tienminutengesprekken". Dat is altijd belangrijk en interessant. Maar deze keer vonden we dat extra leuk. Het was voor het eerst op deze school. En hoewel we wel wisten dat de kinderen hard werken, waren we wel benieuwd hoe ze zich er in de klas doorsloegen. Toch een heel andere setting dan ze gewend waren, en in het Engels. Het waren leerzame gesprekken en we hoorden veel goeie dingen. Zo is het ene kind erg goed in het communiceren van gevoelens (I don't like writing miss R.!!!!) en het andere kind blijkt talent te hebben voor verhalen vertellen. En beiden doen ze erg goed hun best en gedragen ze zich netjes. Wat willen ouders nou liever dan kinderen die met plezier naar school gaan en die ook nog ijverig zijn! Kortom, tijd voor moeder om es wat pluimen uit te delen. En dat deed ik.

De wijze waarop de schouderklopjes in ontvangst werden genomen verschilden nogal per kind. Het ene kind werd er oprecht blij van en keek zo:


En het andere kind slaakte een diepe zucht en keek zo:


Dat laatste riep wat vragen op. En dus kwam er een boeiend gesprek op gang.

"Wat is er? Ben je het me oneens? Word je niet blij van een compliment?"
"(zucht) Ja nou ik hoor zo vaak complimenten!!"
"Huh? Wat is daar mis mee dan?"
"Nou ik moet de heeele dag horen (zet overdreven stem op met vet Amerikaans accent): "Goooood joooob!!", "Well done!!" en "You're sooo good at this!!"
"Wie zeggen dat dan allemaal?" 
"Minstens vijf keer per dag miss A. En dan nog miss B. En op woensdag, donderdag en vrijdag ook nog miss C."
"Ok, en wat is dan precies je probleem?"
"Jaaaa, zoveel complimentjes dat neemt toch niemand meer serieus??? Wat is er nou nog bijzonder aan een complimentje als je ze de hele dag krijgt?!"
"Hoe reageer je dan?"
"Nou, in september zei ik nog "thank you", maar nu zucht ik."

Daar moest ik wel even over nadenken. Dat je een kind te weinig complimentjes kunt geven was me duidelijk. Maar teveel, daar had ik nooit zo over nagedacht. Blijkbaar moet je ook complimentjes zorgvuldig doseren, om waardevermindering te voorkomen. Als iets niet waardevol is, werkt het ook niet stimulerend. 

We hebben er nog even over doorgepraat. Ik heb het maar op cultuurverschil gegooid. Dat is gewoon toch het makkelijkst. En ik denk ook dat het zo is. Onlangs zei iemand tegen me: "Wij Nederlanders, trekken meteen onze portemonnee als we zomaar een compliment krijgen. Want dan motte ze vast iets van ons." 
En als dat waar is, dan is het geen wonder dat mijn kind er de kriebels van krijgt! Want after all, zijn we nog steeds Nederlanders!!






zaterdag 16 november 2013

Dankbaar alsof het niets is.

Trendwatcher ben ik niet, maar toch valt me de laatste tijd wel iets op. Iedereen is maar dankbaar alsof het niets is! Veel van de positieve facebook of twitter posts worden afgesloten met #dankbaar. Mooi toch, zou je denken. Waar vind je dat nog. “Dankbaarheid is een bloem die in weinig tuintjes bloeit”, las ik ergens.  Ja ware dankbaarheid is een groot goed. Ik ben dan ook helemaal vóór. Maar door het veelvuldige gebruik ervan in de sociale media, bekruipt me soms de vrees dat ‘dankbaarheid’ een beetje aan het devalueren is. We zijn dankbaar voor van alles. Een bloemlezing van facebook: Mooi weer, familie, vrienden, postpakketjes, tevreden klanten, huwelijksjubilea, mooie concerten enzovoort. Dat zijn in zichzelf heus allemaal zaken waar je je dankbaar bij kunt voelen. Dank er dus ook maar voor. Maar ik vraag me wel af waar al die publíéke dankbaarheid ineens vandaan komt. Zetten we het er elke keer weer bewust achter, of tegenwoordig misschien soms ook al wel onbewust? Zijn we bang als ‘echte christen’ niet serieus genomen te worden als we niet achter ál onze blije statusupdates #dankbaar plakken? Ik beken schuld. Ik delete soms ook nog even snel #dankbaar voordat ik een post de wereld inzend. 

Maar wáárom willen we eigenlijk aan honderden mensen laten zien hoe dankbaar we zijn?  En wat drukt het precies uit? Dankbaarheid heeft altijd een adres. Maar dat zetten we er toch meestal niet bij. Dat blijft wat vaag. Het móét haast wel dat we God dankbaar zijn. Want het zijn toch meest christenen die hun dankbaarheid hash taggen.

En dan is er nóg iets interessants aan het publiek uiten van onze dankbaarheid. Want wat betekent het eigenlijk om dankbaar te zijn? Dankbaar ‘ben’je. Dankbaarheid of ‘dankbaar zijn’ is een levenshouding en dus eigenlijk, als het goed is niet aan specifieke situaties gebonden. Dus waarom dan niet: ”Mijn fiets is gejat #dankbaar.”?  Of: “Alweer afgewezen bij een sollicitatie #dankbaar.”? Dat heb ik nog niet  voorbij zien komen op mijn timeline. Tuurlijk, de hoeveelheid dankbaarheid  die we voelen, fluctueert  wel eens. Maar het is een levenshouding, net als bescheidenheid en nederigheid. En hier doet zich iets vreemds voor. Ik zie werkelijk waar nooit iemand posten: “Vandaag weer een kerk geplant #nederig #bescheiden”. Echt helemaal nooit! Maar waarom niet? Waarom “pronken” we niet met onze nederigheid en bescheidenheid, zo wij die bezitten, maar wél met onze dankbaarheid?! Wat is eigenlijk precies het verschil daartussen? Ik weet het niet in ieder geval.

Dankbaar ‘ben’ je. Het is niet iets wat je ‘doet’. Het vereist dus nog een daad, om daar uiting aan te geven. Dat kun je inderdaad doen door het te twitteren of te facebooken. Je kunt het ook doen door, ja, door gewoon te danken! Misschien wel zo terecht, om onze dankbaarheid vooral direct te adresseren, in minder indirect. Ik pleit dus niet voor afschaffing van dankbaarheid. Integendeel. Maar misschien is het iets wat we juist (nog) meer moeten gaan zíjn, en minder moeten publiceren.



zaterdag 9 november 2013

Marta en de Praagse bolus.

Marta's stinkstraatje

In de straat loopt een vrouw. Ze heet waarschijnlijk Martha, want ze bezemt. Ze is een kleine vrouw met donker krulhaar. Er ontbreken een paar tanden in haar mond, maar dat geeft niet want er zijn er nog genoeg over om bloot te lachen als dat zo es te pas mocht komen. Trouwens, zoveel reden om te lachen is er tóch niet. Ze woont in Vinohrady. Dat is een van de rijkste wijken van Praag, maar dat zou je niet denken als je door het straatje van Marta loopt. Het is een stinkstraatje. De mensen in Praag houden van honden. Grote honden in kleine appartementen. Die honden ziet ze vaak uitgelaten worden door hun bazen. Gewoon in de straat. Ze moet vaak slalommen om de hondendrollen. Bolussen in alle maten. En de stoep is doorgaans versierd met een patroon van evenwijdige streepjes opgedroogde urine. Vooral in de zomer als het warm is, is Marta niet blij. Want dan stijgen er geuren op van de streepjes. Maar na een regenbui zijn de streepjes altijd weer een tijdje weg. Nee regen is zo erg nog niet. Ondertussen smijten mensen ook van alles op de straat. Papiertjes, zakjes, plastic flesjes en nog veel meer. En dat veegt Marta nu bij elkaar. Nee dat is allemaal niet om te lachen.

Daar ziet Marta een vrouw aankomen, die bij haar in de straat woont. De vrouw houdt haar blik op de stoep gericht. Aan het veranderen van haar gelaatsuitdrukking kan Marta zien, dat de vrouw de enorme drol heeft gesignaleerd, die er sinds vanmorgen ligt.  Ze loopt er met een wijde boog omheen. Marta roept haar toe: “Wat smerig toch weer hè?! Die wil ik niet aan mijn bezem hebben!” De vrouw kijkt haar schaapachtig aan. En een seconde later begrijpt Marta waarom. De vrouw is niet van hier. Ze verstaat geen Tsjechisch. Nu ze erover nadenkt, heeft ze die vrouw ook wel eens zien zitten in een auto met een gele nummerplaat. De vrouw lacht naar haar. Ze bedankt Marta in gebroken Tsjechisch voor het vegen van de straat. Dat begreep Marta er wel uit en een brede grijns kwam op haar gezicht. Ze veegde glimlachend verder. Toen de vrouw bij de hoek van de straat nog even omkeek, zag ze het nog net. Met een grote glimlach wurmde Marta al het bij elkaar geveegde plastic vuilnis door de spijlen van het afvoerputje. Zo. Ook weer geregeld.

En die drol? Die ligt er nog wel een tijdje. Hij verschrompelt elke dag een beetje meer. En na elke regenbui groeit hij weer wat….

maandag 4 november 2013

Als je twee jassen hebt, geef er dan eentje weg.

Het grote houten huis.

Het is zondagochtend en we staan voor het raam in de keuken. Het is nog redelijk vroeg. We wonen vijf hoog en kunnen onze straat uit het raam niet zien. Wel zien we de schuin aflopende, hoger gelegen tuin aan de overkant van de straat. In de tuin naast die tegenover onze flat, staat een groot, heel groot, houten huis. Het is erg vervallen, maar het lijkt erop dat het toch tot de nok bewoond is. Er hangt was aan de lijn, in die tuin. Die waslijn is voor ons onzichtbaar, want er staat een boom voor. Maar we weten dat er was hangt, want een daar rondsluipende man haalt het er, voor onze ogen, hulpvaardig af. Aardig, toch? Scheelt werk voor de eigenaar. O wacht, de gedienstige gast neemt het wasgoed mee. Misschien toch andere motieven om de was af te halen. 


We snappen het wel. De man ziet er nooddruftig uit. Hij draagt een broek die veel te groot is en een dito trui, maar geen jas. Het is koud en hij heeft een winterjack nodig. Er hangt er daar eentje aan de lijn en 1+1= nog steeds 2. De man loopt met de zich wederrechtelijk toegeëigende jas die tuin weer uit, naar de tuin ernaast. Hij gedraagt zich alsof hij zich onbespied waant, hoewel er toch heel wat ramen in zijn rug prikken. Ter hoogte van ons huis probeert hij de jas aan te trekken. Rechterarm in de mouw, en daarna de linker. Rechterarm lukt. Maar helaas, de linkerarm vervolgens niet meer. Hij probeert het opnieuw. Nu eerste de linkerarm en dan de rechter. En nee het past toch echt niet. Inschattingsfoutje.

Pashokje
Wat een sof voor hem. Steekt hij zijn nek uit voor een jas, allemaal voor niets! Teleurgesteld smijt hij de jas in het kale struikgewas en gaat er vandoor.
Op zoek naar een andere gevulde waslijn? Dat is vast lastig, want wie laat er nou ’s nachts de was buiten hangen in november.





Ik werd er droevig van. De man zag er overduidelijk uit alsof hij een jas nodig had. En blijkbaar was jatten de enige manier om dat te regelen. Ik had hem er wel eentje willen brengen. Maar Willem Elsschot zei het al:

“Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren.”

 Die wetten zag ik niet zo, maar de praktische bezwaren des te meer. Want behalve een jas, had ik ook nog altijd een communicatieprobleem, zoals Leendert me liefdevol hielp herinneren. Plus dat de tuin wel lager ligt dan ons appartement, maar nog altijd veel  hóger dan de straat. En dáár kwam dan nog bij dat de man tegen die tijd dat ik beneden zou zijn geweest, allang verdwenen was. Ja, ik weet dat er niet veel was dat ik kon doen. Ik weet ook dat als ik wél een jas had kunnen geven, het echt niet de oplossing van zijn problemen zou zijn geweest. Maar toch, die man heeft het nu misschien nog steeds koud, en daar krijg ík het ongemakkelijk warm van.