maandag 6 januari 2014

Winterdepressionista



Er was eens een vrouw. Een vrolijke, struise vrouw.  Altijd had zij energie. Niets was haar teveel. Elke morgen stond zij zingend op en rende door de dag. En elke avond legde ze haar blozende wangen weer tevreden op haar kussen te rusten. Totdat het november werd.

In het begin van de maand begon ze te gapen. En te gapen. En te gapen. En aan einde ervan ontdekte ze dat er na zoveel gapen nog maar de helft van haar over was. Het gekke was, je kon het niet aan haar zien. Van buiten zag ze er nog net zo welvarend uit. Een beetje dikker zelfs. Maar van binnen was ze nog maar half. De energie die haar nog restte, stolde gestaag. Haar bewegingen werden langzamer en langzamer. In de allerlaagste versnelling slofte ze door november.  De dagen waren grijs. De vrouw ook. En wolken hingen te hangen en groeiden. En soms, als ze vol waren, stroomden ze over. De vrouw deed wel eens met ze mee. En dan droomde ze van ritselende groene blaadjes in zonovergoten parken. Van lachen en vrolijkheid in mei. Van de onbedwingbare vreugde, waardoor je soms zomaar een huppeltje maken moet. En dan zuchtte ze en schudde gekweld haar hoofd en vereenzelvigde zich weer met de huilende wolken.

Zo kroop ze december binnen. Het lachen was haar inmiddels geheel vergaan. Soms krulde een mondhoek tegen wil en dank. Maar daar kreeg ze zo’n spierpijn van dat ze dat op de helft van de maand ook niet meer durfde. Op een dag, aan het eind van december werd ze wakker in een kooi. Een mooie kooi, dat wel. De deur ervan stond wijd open. Ze hoefde er niet in te blijven als ze dat niet wilde. Ze wilde het ook niet. Toch kon ze er niet uit. Buiten de kooi was het druk. Er waren mensen. Allemaal mensen. En mensen moesten altijd iets van haar. Zelfs als ze niets van haar moesten, dan moesten ze toch iets. Dat lukt niet met gestolde energie. Dus ze bleef maar in haar veilige, rustige en vertrouwde kooi. De mensen buiten de kooi probeerden haar er wel eens uit te lokken. Ze hielden haar lekkere hapjes voor. Of ze probeerden haar te verleiden met mooie beloften. “Kom dan! Ik heb vandaag de zon gezien.”  “Als je met me gaat wandelen, gaan we daarna gezellig warme chocolademelk met slagroom drinken.” Het was allemaal niet genoeg. Dus toen probeerden ze het met wat bevoogdende argumenten. “Nu moet je echt naar buiten hoor, je hebt het nodig!” “Kom op zeg, doe es wat actiefs. Zo word je helemaal niet moe! Je moet moe worden!” Het was aan dovemansoren gezegd.

Eindelijk stond er iemand op met Gezag. Hij sprak: ”Ik schrijf je stadswandelingen voor. Wandelingen met een fotocamera.” De vrouw kon tegen het gesjor niet meer op en dacht: Dan Moet Het Maar…. Ze pakte haar fotocamera, sleepte zichzelf de deur uit en begon te lopen. De trappen aan het eind van de straat op. De straten door. De tramrails over. Ze liep maar en ze liep maar. Onderwijl schoot ze plaatjes van alles wat ze zag. De huizen. De kerken. De mensen. De etalages. Het hele stadse leven trok aan haar voorbij. En zij aan het hele stadse leven. Na anderhalf uur was ze zo moe dat ze er wakker van schrok. En ze merkte: wandelen helpt! Krakend en piepend wurmde zich een glimlach op haar gezicht. Ze was er zelf verbaasd van. Zelfs dat kon ze nog! Dat moest ze thuis aan de anderen vertellen. Zo liep ze tevreden weer naar huis.


Vanaf die dag waren de vrouw en de camera de beste vrienden. En toen ze ’s avonds voldaan haar wangen op het kussen te rusten legde, voelde ze dat ze alweer ietsje meer was dan half. Met een zweem van een glimlach om haar mondhoeken viel ze in een diepe slaap. En elke nacht en elke dag, brachten haar weer ietsje dichter bij de lente. Die langverwachte lente.

1 opmerking: