dinsdag 25 maart 2014

Geuren maken de man

Zitten in de tram komt op werkdagen in de spits, zelden voor.
Tsjechisch hondkapje 
Meestal hang ik aan de gele stang. Maar vandaag had ik geluk. Een paar plaatsen vrij. Ik scande mijn directe omgeving. Geen wankele ouderen? Of instabiele peuters? Nee! Gauw ging ik zitten voordat een ander het plekje in zou pikken. Maar soms blijkt ineens dat je minder fortuinlijk bent dan je dacht. Zo ook vandaag.

Ik was per ongeluk naast Baron Knoflook gaan zitten, en nog vóór ik van de schrik bekomen was, streek Jonkheer Zweet ende Kauwgom aan mijn andere zijde neer. Nee he! Ja, toch. Ik probeerde me zo min mogelijk te bewegen ten einde mijn omgeving windstil te houden, opdat de flagrante geuren mijn reukvermogen niet zouden teisteren. Dat was leuk geprobeerd, maar in mijn eentje kan ik dat natuurlijk niet. En van enige coöperatie was zowel ter linker- als ter rechterzijde geen sprake. De baron boog zich half voorover om zijn telefoon uit zijn zak te vissen. De knoflook golfde mijn neusgaten binnen. Ik stopte even met ademhalen. Het ging gewoon niet. De man stonk zo erg dat hij er zelf ook last van had, en het raampje openschoof. Gelukkig hervond de baron daarna snel zijn vrijwel onbeweeglijk houding van daarvoor en ging de wind weer liggen. Ik besloot het ademhalen weer voort te zetten. Die scrollende wijsvinger op de smartphone verplaatste niet al teveel lucht. Maar toen moest de jonkheer opeens op zijn adellijke hoofd krabben. En binnen een seconde was ik omhuld door een zweterige mentholgeur. Mogelijk was zowel het zweet, als de mint, het gevolg van een sportlife. Nu stokte mijn adem vanzelf al. Gelukkig was de jeuk gauw over en vervolgden we de reis weer bewegingloos. Ik zoog gauw weer een teugje lucht naar binnen. Ondertussen vroeg ik me angstig af, wat precies het effect zou zijn als ze allebei tegelijk zouden gaan bewegen. En of ik dan nog wel bij zinnen zou blijven. Ik had de gedachte nog niet voltooid of daar gebeurde het gevreesde. Allebei pakten ze hun tas en brachten daardoor de luchtstromen weer op gang. Een wilde stank kolkte nu om mijn hoofd. De tranen schoten me in de ogen en ik moest er bijna van hoesten. Alleen het vooruitzicht van een voorspoedige verlossing van de geuren hield me nu nog op de been. Vaag kon ik door de wolken moflook, kneet en zwint de deuren zien opengaan. De edellieden stapten naar buiten. Ik veegde de tranen van mijn wangen en leunde uitgeput achterover.

1 opmerking: