donderdag 5 februari 2015

Honza


Honza woont bij ons in de straat. Ik weet niet of hij echt zo heet, maar in gedachten noem ik hem zo.  

Vaak scharrelt hij wat rond, samen met zijn twee honden. Of hij zit stilletjes in het zonnetje op het muurtje bij de kleine kapel aan het eind van de straat. Soms ook rommelt hij in de vuilcontainers om te zien of daar nog wat bruikbaars in zit. Zijn baseball cap lijkt vergroeid met zijn hoofd. Eronderuit piekt lang grijs krulhaar.  En altijd als ik hem tegenkom, groet hij me, steevast gevolgd door: ”Hoe gaat het met ons?” Dat was eerst wat verwarrend, dus in de Olvaritfase van mijn Tsjechisch, zei ik dan altijd: “Ik weet het niet.” Wat ook zo was, natuurlijk, want ik weet meestal niet hoe het met hem gaat. Hoewel, ik heb er wel een idee van. Te oordelen naar zijn verschijning gaat het niet al te best met hem. Zijn ene oog is eigenlijk niet echt een oog, het heeft een soort wit vlies. Zijn andere oog kijkt schuin naar boven. En zijn benen, daar is ook wat mee. Hij heeft geen O- of X-benen, maar K-benen. Zijn ene been is normaal, en zijn andere been heeft een vreemde knik. Het ziet eruit als een K dus, afhankelijk van of je hem tegenkomt, of achter hem aan loopt. Hij en zijn hondjes zijn onafscheidelijk. Een van zijn honden lijkt ook op hem. Hij loopt net zo mank als zijn baasje. Alleen heeft de hond geen K-poten, maar mist hij gewoon een halve poot. De helft die nog over is, is met een lapje bedekt. En zo hobbelen ze gedrieën door de straat.


Nu, ruim anderhalf jaar en vele taallessen verder, kan ik zijn vraag wat beter beantwoorden. Hij bedoelt natuurlijk hoe het met míj gaat. Dus soms maak ik een praatje met hem. Ik denk dat “hmhm” het hoofdbestanddeel van mijn helft van het gesprek is. Hij is de enige persoon uit de straat met wie ik soms een praatje maak. Misschien ben ik ook wel de enige persoon met wie híj soms een praatje maakt. De laatste keer dat ik hem sprak vroeg hij ineens om kleingeld.  Dat verraste me, want dat had hij nog niet eerder gedaan. 

Een van mijn gezinsleden, praktisch als altijd, betoogde dat we hem geen geld hoeven te geven zolang hij er nog twee honden op na kan houden. Dat was, bedacht ik na wat mijmeren, het gemakkelijkste standpunt. Op het eerste gezicht ook heel rechtvaardig. Een ander hoeft hem toch niet te betalen om zijn hondjes in leven te houden? Want een hond heb je niet echt nodig, toch? Tot een paar jaar terug dacht ik er ook zo over. Ik ben van gedachten veranderd. Er zijn zoveel “Honza’s”in deze stad, die van niets moeten rondkomen en die geen mens hebben die hen liefde en aandacht geeft. Ik denk dat de hondjes van Honza zijn enige vrienden zijn. Nou ja, en die buurvrouw dan, die af en toe een praatje maakt.