dinsdag 11 augustus 2015

Nieuwe Lente Nieuwe Geluiden

Wij wonen hier.


6:00 uur.
Donderend geraas verscheurt mijn toch al niet rotsvaste slaap en ik vlieg overeind. Help!! Het gebouw stort in! Of zoiets. Ik sjor aan mijn slapen de man: “Wat is dit?! Het trappenhuis stort in! Wat moeten we doen?” Mijn geliefde tilt zijn hoofd uit de slaapstand en luistert een nanoseconde. “O dat. Dat zijn de vuilnismannen die alle kliko’s naar beneden trekken over de trap. Ze moeten namelijk geleegd.” Met een zucht laat ik me weer achterover vallen. Dat valt alweer mee dan. Sinds maart dit jaar wonen we in een ander appartement. We zijn er blij mee. Het is mooi en ligt op een reuzehandige locatie. Maar het betekent ook weer wennen aan nieuwe geluiden. En dat wil bij mij nog niet zo lukken. Waar Leendert er vrijwel altijd in slaagt om tot verre diepten in slaap weg te zinken, slaap ik behoorlijk oppervlakkig. Altijd alert op mogelijke inbrekers en ander grut. En razende kliko’s dus.

We wonen nu in een pand uit 1903, met hoge plafonds en een prachtige gevel met krullen en balkonnetjes. Er is hier geen lift, vandaar dus die traplopende vuilcontainers een paar keer in de week. We wonen aan een doorgaande weg en de tramhalte ligt recht voor ons huis. Prettig en levendig. Er is altijd iets te zien, en een van de nieuwe vormen van tijdverdrijf voor de kinderen is om op hun knieĆ«n op een keukenstoel op hun ellenbogen  in de vensterbank  geleund uit het raam te kijken. Naar alle mensen auto’s en trams. Ook stoppen er regelmatig touringcars voor ons huis, die kuddes toeristen uitspugen. Ons vorige huis was rustiger gelegen, maar ook een stuk saaier. 

Trambellen rinkelen, mensen lachen en maken ruzie, containers denderen de trap af, en dan is daar nog die ene man die sinds kort ook een bijdrage levert aan de kakofonie. Een jaar of vijftig plus, zijn overgebleven haren staan alle kanten op. ’s Avonds sloft hij door de straat met in zijn ene hand een fles drank, en in zijn andere hand een telefoon. Klagelijk klinkt zijn sonore gejammer in de telefoon, versterkt door de hoge gebouwen die aan weerszijden van de straat staan. Hij heeft bepaalde geen vrolijke dronk over zich. Af en toe stopt hij even met jammeren en lopen om een slok uit zijn fles te nemen. Onwillekeurig vroeg ik me af of er aan de andere kant iemand naar hem luisterde. En wie dat dan was. Ik hoopte maar dat het een lieve zus of een goede vriend was.

Het concert des levens dus vlak voor de deur. Het harmonieert wonderwel op een of andere manier. De vraag is echter, wat moet ik nu aan met die verdrietige dissonanten...?