zaterdag 31 oktober 2015

Strijkages


De mevrouw van de strijkservice kijkt er tenminste blij bij.
Met berusting bekijk ik mijn strijkplank. Of liever gezegd, datgene wat de strijkplank aan het oog onttrekt. Een ware Mont Blanc aan overhemden zo hoog dat er bij de top geen zuurstof meer kan zijn. Ik heb haast een klimuitrusting nodig boven te komen. En dan nog al het strijkgoed van de rest van het gezin. Het is elk jaar hetzelfde liedje. In mei besluit ik uit pure gemakzucht om alle overhemden met lange mouwen gewoon niet meer te strijken, want ze hebben vanaf dan vakantie tot de herfst. Waarom ze lastig vallen met een vouw in de mouw, als ze ook in vrede en kreukels rusten kunnen. En elke keer in oktober pluk ik de wrange vruchten van mijn eigen luiheid. Want dan staan ze allemaal tegelijk te trappelen om weer aan de slag te gaan. Ik kan het strijken niet langer meer uitstellen. Ook al omdat ik een beetje murw ben van de dagelijkse verzoeken om gestreken goed die ik binnenkrijg, gevolgd door de terechte observatie dat er nu even niet zoveel te kiezen valt.


Dus ik zette mijn helm op en beklom de berg, hopende dat ik geen hoogteziekte zou krijgen, groef de strijkplank op en begon. Elke keer als ik een overhemd klaar had bracht ik hem voorzichtig naar de kast, de standplaats van alle overhemden. En elke keer moest ik langs die grote spiegel, waarin ik mijn gezicht  weerspiegeld zag  en waar gelatenheid en verveling vanaf dropen. Het enige dat elke keer anders was, voor lange tijd, was de kleur van het overhemd. Maar op een zeker moment, toen ik ruim over de helft was, zag ik bij het naderen van de spiegel dat mijn gezichtsuitdrukking veranderd was. Ik begon zowaar wat vriendelijker te kijken en bij het laatste kledingstuk dat ik langs de spiegel zwierde keken pure opluchting en tevredenheid mij aan. Hoe bevredigend eigenlijk, om een stapel strijk weg te werken. Om nog niet te spreken van de kop koffie erna, en de uitermate geruststellende gedachte die door mijn hoofd zong: voorlopig niemand die zeggen kan dat er geen keus in de kast is.

woensdag 28 oktober 2015

Winterdepressionista

Once upon a time there was a woman. A cheerful, robust woman. She always had energy. Nothing was too much for her. Every morning she got up singing and she ran through the day. And each evening she put her flushed cheek to rest on her pillow satisfied. Until it was November.

In the beginning of the month she began to yawn. She yawned and yawned and yawned. At the end of the month she discovered that after so much yawning, only half of her was left. The funny thing was, you couldn’t see it on the outside. On the outside she looked the same, healthy as always, a little bit fatter even. But on the inside she was only half. The remaining energy solidified slowly. In the lowest gear she shambled through November. The days were grey, and so was the woman. The clouds were hanging low and grew. And sometimes when they were full they would overflow. The woman sometimes joined the clouds in losing water. And then she would dream of rustling green leaves in sun drenched parks. Of laughter and joy in May. And then the woman would sigh and shake her head, tormented, and would become one with the weeping clouds again.

So she crept into December. She could not laugh anymore. Sometimes one corner of her mouth would curl upwards, reluctantly. But it made her muscles ache so much, that in the second half of December even THAT was too much. One day, at the end of the month she woke up in a cage. The door of the cage was wide open. She didn’t have to stay in the cage if she didn’t want to. She didn’t want to. Yet she couldn’t leave it. Outside the cage it was busy. There were many people. And people always needed something from her. And even if they didn’t want something from her, they still wanted something. And that was impossible with solidified energy. So she stayed in her safe, quiet and familiar cage. Sometimes people outside the cage tried to lure her out. Or they tried to seduce her with delicious food. Or with nice promises. “Come! I saw the sun today!” “If you go for a walk with me, we can go for a hot chocolate afterwards.” But it wasn’t enough. Then they tried some patronizing comments. “Now you have to go outside, you need it!” “Come on, do something active. You don’t get tired any more! You need to get tired!” It fell on deaf ears.

Finally somebody with authority came. He spoke: ”I prescribe city walks. Walks with a. camera.” The woman could stand the yanking no longer and she thought “Then It Will Have To Happen….”. She took her camera and dragged herself out of the door and started walking. She climbed the stairs at the end of the road. She walked through the streets. She crossed the tram rails. She walked and walked whilst taking photographs of everything she saw. The houses, the churches, the shop windows. Everything all over the city. After one and a half hours, she was so tired that it woke her up! And she noticed that walking is helpful! Creaking and squeaking, a smile appeared on her face. It surprised her too. She was still capable of that! She had to tell the others at home. And so she walked home contentedly.

From that day onwards, the woman and the camera were best friends. And that evening, when she put her cheek to rest on her pillow, she felt that she was already a little bit more than half. With a hint of a smile she fell into a deep sleep. And every day and night brought her a little closer to Spring. The long awaited Spring.



donderdag 22 oktober 2015

“We left in peace too”


Kerken. Zodra we er eentje in het oog krijgen waarvan de deur niet op slot zit moeten we er altijd even naar binnen. Zo ook afgelopen zaterdag. We waren in het Duitse Ostheim, voor ons jaarlijkse familieweekend.  En een van de mooiere gebouwen in Ostheim is een oude kerkburcht. Met zijn elven stapten we daar binnen. Naast het mooie interieur bevond er zich ook een gastenboek in de kerk. Daar loop ik persoonlijk altijd aan voorbij, maar toen ik mijn ogen door de kerk liet dwalen, zag ik een van mijn kinderen er verwoed in schrijven. Toen ik het gastboek voor de tweede keer passeerde, besloot ik er even in te spieken. En daar stond in een bekend handschrift geschreven: 



En dan de namen van de aanwezige familieleden. Nu, dat klopte. Geen onvertogen woord gevallen tot aan dat moment van schrijven. O wacht, het kind had er nog iets aan toegevoegd: 
Ook dat was waar. Het was nog steeds pais en vree toen we het gebouw weer verlieten. De kerk heeft bewezen niet altijd een bron van twist te zijn. Dat is mooi, want dat is wel eens anders. Hoewel misschien niet de kerk zelf de oorzaak van onmin is, wordt er vaak genoeg door haar leden om haar gevochten. En dat is niet iets om trots op te zijn. Integendeel. Prettig dus dat het deze zaterdag goed ging.

Een dag later. Zelfde kerk, zelfde familie, zelfde gastenboek. Na ons hadden nog meer mensen de kerk bezocht zo te zien. Welke bagage hadden ze meegebracht? Misschien wel een rugzak vol herfstbladeren en problemen. Waren ze met een hoofd vol zorgen en problemen in een kerkbank neergestreken? Zo waren ze in ieder geval niet vertrokken. Want onder de boodschap van mijn kind prijkte het volgende: “We didn’t come in peace. But we changed our mind.” Dat ontlokte een brede glimlach aan mijn kind. Dat zijn vredeboodschap zo inspirerend zou zijn had hij niet verwacht. Eigenlijk nog meer reden tot vreugde. Niet alleen was de kerk geen bron van twist geweest, zij had zelfs aangemoedigd tot verandering ten goede.

En ik? Ik droom nu. Van de wereldwijde Kerk die op alle fronten zoveel mogelijk hetzelfde doet. Het lichaam van Christus. Dat zij daar waar zij in deze boze wereld haar gezicht laat zien, niet alleen geen aanleiding tot ruzie zal geven, maar vooral ook dat zij een bron en een aanmoediging van vrede zal zijn. Want dat doet er volgens Jezus toe: “Zalig zijn de vredestichters.”