dinsdag 26 april 2016

Deurleefd

Wat een prachtexemplaar. Zelden zo'n boeiend gearrangeerde samenloop van planken en latjes in een deur gezien. Je vraagt je af hoe het zo ver heeft kunnen komen. Het begon vast ooit als een normale, op maat gemaakte deur. Naar mijn idee moet het paneel rechts boven een restant van het origineel zijn, alsook de omlijsting. En als dat zo is dan was het wel een deur met allure. Maar toen? Zou er geleidelijk verval zijn opgetreden en dat de gaten steeds werden opgelapt en dat er toen ineens een deur met een soort quiltpatroon verscheen? Of is er iemand in een dronken bui doorheen gesjeesd? En moest er in allerijl een oplossing verzonnen worden om het gat te dichten? Want ja deuren hebben een functie en die moeten ze behouden. Ze sluiten af en verlenen toegang. Of niet natuurlijk. Niet alle maatregelen leveren het gewenste resultaat op. En zeg nou zelf, dat hangslotje ziet er niet zo vertrouwenwekkend uit.

Wat een prachtexemplaar. Zelden zo'n boeiende samenloop van omstandigheden en littekens in een persoon verenigd gezien. Je vraagt je af hoe het zover heeft kunnen komen. Het begon vast ooit als een puntgaaf stevig mens. Misschien dat het onderdeel links halfhoog achter zijn ribben nog wat restanten van het orgineel heeft, alsmede de spiegels van de ziel. Als dat zo is, dan was het wel een verschijning met allure. Maar toen? Zou er geleidelijk verval zijn opgetreden, zakkend langs 's levens regenpijp de goot in? Of zou hij met klaar geweld verwoest zijn en moest de mens in allerijl opgelapt om volledige ineenstorting te voorkomen? Want ja hij had wel een functie en die moest hij behouden. Of niet natuurlijk. Niet alle maatregelen leveren het gewenste resultaat op. En zeg nou zelf, de onvast-ter-beenheid met stok ziet er niet zo vertrouwenwekkend uit.


Ik wil het eigenlijk gewoon weten. Zowel van de deur als de mens. Hoe werden ze wat ze nu zijn? Werd het verval niet opgemerkt en hingen ze plots versleten in hun sponningnen? Of is er moedwillig schade berokkend. Maar eigenlijk is het niet zo belangrijk. Beiden zijn prachtig zoals ze nu zijn. Karakteristiek en enig in hun soort. En oneindig interessant door de zichtbare geschiedenis die niet verteld wordt.

vrijdag 15 april 2016

A refugee's point of view

Guestblog by J. Wolters

Hi I'm Hasan and I'm going to tell my story starting from arriving in Prague till becoming a member of a church.

I just arrived at at the Vaclav Havel Airport Prague. It's a small airport. I don’t like the weather. It's cold. But I guess I will have to live with it. How do I get to the metro? Ah, there is a bus going to Nádraží Veleslavín. It says metro next to it. Great, where's my wallet? Here it is. Now I can pay. What!? I have to pay double price. Maybe the stickers are old.

When I enter the bus I get angry looks. I sit down next to someone who immediately stands up. When I enter the metro some people leave. I look around and see a sticker “ refugees not welcome” I did not speak english well. Luckily it said it in arabic. Luckily? “ اللاجئين غير مرحب بهم” What!? I’m a person too. Some teenagers laughed at me. I ignored them.

I was thunderstruck. I started noticing them all over. They were everywhere. One day someone threw a tomato at me on my way home. The home which I found online. It was the only home that someone rent me.I had to redo the paint and the floor. I found a job which paid enough to buy food and pay the rent. I was a trash man. I smelt bad too.
Once every few months I saw a sticker that said “refugees welcome” and “اللاجئون يرحبون” but I started thinking “am I really not welcome here?”

One sunday morning when I was walking around the neighborhood a man walked up to me (I knew some English by now) and told me his name: Petr. He asked if I would like to come to church with him. I said yes since I did not have anything to do. He was basically the only nice person I met so far. When we arrived at his church, which was close by, I was greeted with warm smiles. It was the first place where I felt at home. They started with cookies and coffee or tea. After that they sat down at some tables. First they sang some songs. Next a kid came up front and read something from a big book which said “Bible” on the front. Next a big tall man came up. Petr was with him. He started talking in english. Every few sentences he would pause and Petr would say it in Czech. Because the man spoke in english I could understand him. He spoke words which I believed. After the service I asked petr if he would study the big book with me. He said yes. I was glad.

Every friday we would meet and talk about the big book which was called bible. it was areally nice one. I learned a lot. I like the story of David best. Petr said that from David’s family baby Jesus would be born. When we talked about Jesus he said that he would come back some day. Five weeks later I became a christian. When I became christian Petr asked if I would like to do my testimony. I said yes.

That sunday when Petr asked me to come up. I came and started talking.
“I was a hard working at Radio Free Europe in secret. Many people tried to kill me and my family. I had a wife ‘Fatima’ and twins “Ahmed and Mohamed” and my name is Hasan. One day at the radio  someone came running in and said “Hasan you must leave now you're wife and children are killed they are looking for you now” I grabbed some clothes, a toothbrush, and my phone. I ran for the airplane and left. Now I’m here and I like it. Even though it is cold. I really like being a part of this church.” I don't know what will happen in the future. I hope it will be good. But only God knows what will happen and I trust him. I hope I can stay here because I feel loved here. 

The end.

maandag 11 april 2016

Aanstekelijk wachten

Wachten
Wachten. Een van die dingen in het leven waar een mens maar mee te dealen heeft. De een is daar wat beter in dan de ander. Maar zelfs al ben je een hele hoge in de orde der tijdverbeidenden, dan nog kan er het moment komen dat je je begint te vervelen.

Een van de gelegenheden hier waar je gegarandeerd de klos bent als het over wachten gaat, is het postkantoor. Ons dichtstbijzijnde is een behoorlijk groot exemplaar en het gebeurt maar zelden dat ik snel aan de beurt ben. Alleen rond lunchtijd lukt dat. Maar gelukkig ben ik best goed in wachten. Meestal zit ik en bestudeer ik de homo sapiens binnen mijn blikveld. Daar is niet altijd zoveel aan te beleven, want de meeste mensen zijn in zichzelf gekeerd of in hun telefoon. Het moment dat ik mij begin te vervelen komt dan inderdaad. Niets interessants te zien hier vandaag.

In  mijn hoofd zoemt een melodie. In de hal van de bergkoning, van Edvard Grieg om precies te zijn.  Na een poosje realiseer ik mij dat de melodie zich niet slechts in mijn hoofd bevindt, maar zich een uitweg heeft gezocht via mijn mond. Daar zit ik dan te neuriën. Pompompompompompompooompompompoompompompoom. Lekker deuntje wel. Maar toch, ik kan er misschien beter maar weer mee ophouden. Je kunt een ander je muziek niet zomaar opdringen natuurlijk. Vind ik ook niet fijn als anderen dat bij mij doen.  Het is weer stil in de wachtruimte. En ik verveel me weer. Weer vijf minuten verstreken.

En dan gebeurt het. De mevrouw links van mij heeft een melodie in haar hoofd. In de hal van de bergkoning, van Edvard Grieg om precies te zijn.   En het bevindt zich niet slechts in haar hoofd. Het heeft zich een uitweg gezocht via haar mond. Daar zit ze dan te neuriën.  Pompompompompompompooompompompoompompompoom. Lekker deuntje eigenlijk wel. Ik vraag haar of het besmettelijk was. Ze krijgt een kleur en ze lacht naar me. Dat was het inderdaad.

En ineens begint iedereen in het postkantoor Grieg te neuriën. De vrolijkheid verplaatst zich van de ene persoon naar de andere, totdat het hele afschuwelijk saaie, bruine postkantoor met muziek is gevuld. En muziek verbindt, dat zie je.

Nee, het zou leuk geweest zijn, maar helaas gebeurde het niet. Misschien moet ik het in de toekomst toch vaker proberen. Als ik weer eens ergens zit te wachten gewoon een aanstekelijk melodie hummen en dan maar zien wat er gebeurt. Wie weet, misschien, op een dag….  

dinsdag 5 april 2016

Schermutseling

“Ha een plekje in een hoekje”, denk ik verheugd als ik in de tram stap om naar een gebedsbijeenkomst te gaan. Ik ga daar nog spijt van krijgen, maar pas later. Het is druk in de tram en ik ben allang blij dat ik kan zitten. Ik nestel me met mijn leesvoer in de stoel en de tram rijdt weg. Aan mijn omgeving besteed ik niet veel aandacht. In de tram hangt de gebruikelijke wolk alcohol die zo kenmerkend is voor het einde van de dag in het weekend. Ook hoor ik achter in de tram het bijbehorende gebler van de drinkebroers (en –zussen misschien ook wel).

Het gebrul neemt toe maar ik heb het pas door als het al te laat is. Ik kijk op en zie de vrouw die naast me staat wegschieten en op hetzelfde moment komen twee mannen al knokkend langsgeschoven. Het is een kansloze aangelegenheid voor een van hen, een schraal figuur, en aan de korte kant. Ik noem hem maar “de Kleine”. De andere knokker legt alleen al met zijn omvang genoeg gewicht in de schaal om zijn tegenstander omver te duwen. Laat ik hem dan maar, heel verrassend, “de Grote” noemen.

Ik wil ook weg, net als die vrouw! Maar ik zit als een rat in de val in mijn zo gewaardeerde hoekje. Ik kan geen kant op, realiseer ik mij met afgrijzen. Ik bekijk het tafereel eens goed. Die bierflessen die zij in hun hand hebben. Hoe zou dat voelen als die in eens op mijn hoofd terecht zouden komen? Als er dan nog wat te voelen is. Ik word bang en zit bevroren op mijn stoel, mijn hoofdhuid prikkelt, mijn ademhaling gaat sneller en mijn hart vliegt in galop. Het zweet breekt me uit. Ik ben niet de enige want ook bij “de Kleine” loopt het in straaltjes van zijn gezicht. Ik bedenk hoe vreemd het is dat ik dat allemaal zo afstandelijk in een seconde registreer terwijl de adrenaline door mijn lijf giert. Het is niet voor het eerst dat er gedoe in de tram is. Maar het is me nog niet eerder overkomen dat er op een halve meter afstand gevochten wordt, en ik geen kant op kan. Er zit niets anders op dan te blijven zitten in mijn stoel en te bidden dat er niets ernstigs zal gebeuren.

De Grote geeft met een agressieve grijns de Kleine weer een duw. Het lijkt alsof hij er een wreed genoegen in schept. De Kleine op zijn beurt houdt zijn handen gekruist voor zijn gezicht om het te beschermen en ratelt ondertussen maar door. Aan de toon kan ik horen dat hij zijn vechtgenoot probeert over te halen. Hij soebat en pleit. Maar hij krijgt nog een duw. Ik merk dat ik mijn adem al een behoorlijke tijd heb ingehouden en ik laat de lucht weer ontsnappen. En ik denk: “Waarom doet er niemand iets?!” Om me te realiseren dat ik zelf ook niets doe.


Ineens keert het tij. De Grote laat wat agressiviteit varen en de Kleine pakt nu door. Hij praat en praat en praat en dan, net voor de volgende halte schudden ze elkaar de hand. Ik geloof mijn ogen niet, en een zucht van verlichting laat zich niet tegenhouden. Als de tram stopt, stapt de Grote uit en kijkt, nog nastomend, de tram na. Godzijdank zijn er geen gewonden gevallen. En ik? Ik stap drie haltes verderop uit en ik loop met nog trillende handen en knikkende knieën naar de kerk.