dinsdag 5 april 2016

Schermutseling

“Ha een plekje in een hoekje”, denk ik verheugd als ik in de tram stap om naar een gebedsbijeenkomst te gaan. Ik ga daar nog spijt van krijgen, maar pas later. Het is druk in de tram en ik ben allang blij dat ik kan zitten. Ik nestel me met mijn leesvoer in de stoel en de tram rijdt weg. Aan mijn omgeving besteed ik niet veel aandacht. In de tram hangt de gebruikelijke wolk alcohol die zo kenmerkend is voor het einde van de dag in het weekend. Ook hoor ik achter in de tram het bijbehorende gebler van de drinkebroers (en –zussen misschien ook wel).

Het gebrul neemt toe maar ik heb het pas door als het al te laat is. Ik kijk op en zie de vrouw die naast me staat wegschieten en op hetzelfde moment komen twee mannen al knokkend langsgeschoven. Het is een kansloze aangelegenheid voor een van hen, een schraal figuur, en aan de korte kant. Ik noem hem maar “de Kleine”. De andere knokker legt alleen al met zijn omvang genoeg gewicht in de schaal om zijn tegenstander omver te duwen. Laat ik hem dan maar, heel verrassend, “de Grote” noemen.

Ik wil ook weg, net als die vrouw! Maar ik zit als een rat in de val in mijn zo gewaardeerde hoekje. Ik kan geen kant op, realiseer ik mij met afgrijzen. Ik bekijk het tafereel eens goed. Die bierflessen die zij in hun hand hebben. Hoe zou dat voelen als die in eens op mijn hoofd terecht zouden komen? Als er dan nog wat te voelen is. Ik word bang en zit bevroren op mijn stoel, mijn hoofdhuid prikkelt, mijn ademhaling gaat sneller en mijn hart vliegt in galop. Het zweet breekt me uit. Ik ben niet de enige want ook bij “de Kleine” loopt het in straaltjes van zijn gezicht. Ik bedenk hoe vreemd het is dat ik dat allemaal zo afstandelijk in een seconde registreer terwijl de adrenaline door mijn lijf giert. Het is niet voor het eerst dat er gedoe in de tram is. Maar het is me nog niet eerder overkomen dat er op een halve meter afstand gevochten wordt, en ik geen kant op kan. Er zit niets anders op dan te blijven zitten in mijn stoel en te bidden dat er niets ernstigs zal gebeuren.

De Grote geeft met een agressieve grijns de Kleine weer een duw. Het lijkt alsof hij er een wreed genoegen in schept. De Kleine op zijn beurt houdt zijn handen gekruist voor zijn gezicht om het te beschermen en ratelt ondertussen maar door. Aan de toon kan ik horen dat hij zijn vechtgenoot probeert over te halen. Hij soebat en pleit. Maar hij krijgt nog een duw. Ik merk dat ik mijn adem al een behoorlijke tijd heb ingehouden en ik laat de lucht weer ontsnappen. En ik denk: “Waarom doet er niemand iets?!” Om me te realiseren dat ik zelf ook niets doe.


Ineens keert het tij. De Grote laat wat agressiviteit varen en de Kleine pakt nu door. Hij praat en praat en praat en dan, net voor de volgende halte schudden ze elkaar de hand. Ik geloof mijn ogen niet, en een zucht van verlichting laat zich niet tegenhouden. Als de tram stopt, stapt de Grote uit en kijkt, nog nastomend, de tram na. Godzijdank zijn er geen gewonden gevallen. En ik? Ik stap drie haltes verderop uit en ik loop met nog trillende handen en knikkende knieën naar de kerk. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten